Mijn momentjes

Momenten uit mijn leven die ik wil delen

Pokke Foon

maart26

Ik ben aan het werk als ik een SMS van een patiënte krijg die toevallig ook op deze locatie werkt. Thea, ben je hier en zo ja kan ik dan even komen? Ik heb geen patiënt en SMS haar terug: Ja hier, kom maar. Meteen een bericht terug: Leuk hoor, dank je voor het compliment 🙁 Ik kijk naar mijn bericht en kan wel door de grond zakken. Wat een stomme tikfout. Er staat: Ja hoer, kom maar. Ik bel haar meteen en gelukkig kan ze er wel mee lachen. Ik ook, als een boer die kiespijn heeft. Later die dag SMS ik met een van de therapeuten. Weer tik ik hoer in plaats van hier. Mopperend op mezelf zie ik het nu en wis en verander het. Als er weer hoer staat snap ik het. Niet ik maak tikfouten maar mijn automatische spellingscontrole veranderd hier in hoer. Stomme pokke foon.

Vuile was

maart24

Het is avond en al behoorlijk schemerig. Ik loop de slaapkamer op om mijn pyjama aan te trekken en maak geen licht. Op bed ligt een van onze poesjes, Sieske zo zwart als de nacht, behaaglijk in elkaar gerold heerlijk te slapen. Onder het omkleden hou ik een heel gesprek met haar. Ik vind het vreemd dat ze niet reageert want haar grootste genoegen is, als het maar even kan, knuffelen. Daarom loop ik naar haar toe om eens lekker te kroelen. Maar wat ik heb aangezien voor Sieske, blijkt een vuil T-shirt in elkaar gerold met een vuile onderbroek Carel te zijn. ‘Ruim je het even op?’ vraag ik hem als ik weer in de kamer ben. ‘Ja hoor, zo meteen’ antwoordt hij. Ik erger me al een beetje want zo meteen betekent meestal niet. Als ik een tijdje later weer op de slaapkamer kom, ligt de vuile was inderdaad nog steeds op dezelfde plek op bed. Geërgerd pak ik het setje op met de bedoeling het in de wasmand te smijten. Nu blijkt het echter Sieske te zijn die hevig overstuur is van mijn ruwe behandeling. Ze lag zo lekker te slapen. Met het schaamrood op mijn kaken knuffel ik haar extra stevig. Gelukkig is ze niet haatdragend.

www.stichtingkatimo.nl

‘Bewaarschool’

maart24

Na de verdwijning van Jimmie* blijven we een hecht drietal, Henri mijn jongste broertje, Sjors ons kleine keffertje en ik. Dan word ik 4 jaar en moet naar de bewaarschool (kleuterschool voor de niet Limburgers). Ik sputter flink tegen als mam en Henri me naar school brengen. Sjors volgt ons altijd op de voet dus ook nu ontbreekt hij niet. Na mijn aanvankelijke tegenzin vind ik het geweldig. Ik mag een paard tekenen en kleuren en de juffrouw zegt dat ze nog nooit zo’n mooi paard heeft gezien. Ze hangt mijn tekening op en als ik weer wordt opgehaald laat ik mam en Henri door het raam trots mijn prestatie zien. Henri is een beetje jaloers, zonder zijn kleine grote zus heeft hij toch een beetje moeite de dag door te komen. Trouw brengt en haalt hij me, samen met mam en Sjors, iedere dag van en naar school. We zijn beiden dolgelukkig als ook hij naar school mag. Omdat we net iets meer dan één jaar in leeftijd verschillen, komen we in hetzelfde klasje en mogen we zelfs samen een bankje delen. Omdat we samen zijn heeft Henri geen moeite om te wennen. We mogen meteen aan een werkje beginnen. Onze schooldag verloopt echter anders dan verwacht!

Na een kwartiertje ontstaat er tumult in het klasje. Buiten klinkt een luid geblaf en de meeste kinderen beginnen te lachen en te wijzen. Boven de vensterbank verschijnt geregeld het kopje van Sjors die voor het raam staat te blaffen en te springen. In opdracht van de juffrouw moeten Henri en ik hem naar huis sturen. ‘Noa hooès’ roepen wij streng tegen Sjors, ondertussen dubbel liggend van het lachen. Dat is Sjors duidelijk niet van plan. Dolgelukkig jankend blijft hij tegen ons op springen. De juffrouw probeert het ook nog maar Sjors weet nog goed hoe ze hem geregeld heeft geknuffeld en ook haar strengheid maakt geen indruk. Als oudste moet ik Sjors naar huis brengen. Het is immers niet ver en ik kan snel weer terug zijn. Mam is verbaasd als ze mij ziet en na mijn uitleg belooft ze Sjors op te sluiten. In een groot huishouden als het onze, waar iedereen in en uit loopt zonder deuren te sluiten, is dat gemakkelijker gezegd dan gedaan. Als ik weer op school kom, zit Sjors al voor de deur te wachten. Zo gaat dat enkele dagen. Dan besluit de juffrouw dat Sjors ook naar school mag. Dat is rustiger dan iedere dag het geblaf en gespring voor het raam. Tevreden ligt hij iedere dag onder ons bankje, een jaar lang. Na de vakantie moet ik naar de lagere school en mam maakt zich al ernstig zorgen hoe het straks moet als Henri ook naar de lagere school moet. Maar Sjors wordt ziek en op een morgen ligt hij dood in de keuken. Ons verdriet is groot als we hem plechtig begraven achter in de tuin. Ons lieve Sjorske gaat nooit meer mee naar school.

*lees ook beestenboel

Oud schrift

maart20

Zoeken, zoeken, zoeken. Ik kan mijn krantenknipsels van vroeger niet meer vinden. Ik kom wel andere hele leuke dingen tegen.

foto 26

Het schrift met daarin vast geniet de foto’s de Sopsieemesse (ouderwetse vaatborstels met van die draad kwasten eraan) De Carnavals vereniging waar Carel en ik vroeger bij waren. Nou, ik een jaar dus want ik kon het niet combineren met mijn onregelmatige diensten in Geldrop. Bovendien moest ik met de trein. Geen lange reis maar toch.

foto 25

De laatste foto krijgt een ereplaatsje. Onze veel te jong overleden vriend Mart Schreurs. Hij was altijd overal bij betrokken. Ik kan me geen happening herinneren zonder Mart. In die tijd was heel onze vriendengroep erg hecht. helaas zijn we veel vrienden uit het oog verloren toen we na onze studietijd over het hele land verspreid raakten.

Eerst foto’s van het oefenen voor de optocht. Ik ben er één keer bij geweest. Ik zat toen al in Geldrop in de opleiding en kon door het werk niet steeds naar Weert gaan. Bovendien moest ik ook met Vastenaovend werken. Van veel mensen ken ik alleen nog de voornaam. Dat moeten ze me na 40 jaar niet kwalijk nemen. Als ik het me goed herinner zijn deze foto’s gemaakt bij Patronaat St. Louis. Jawel veel mensen kennen die naam misschien wel uit de boeken Beekman en Beekman van Toon Kortooms.

foto 1

Hier herken ik Annie Korten, Marleen Verberne, Angeline van Heezewijk, Carel Bergmans als gespierde breinaald 🙂 en Mart Schreurs die zich achter Carel’s brede rug probeert te verstoppen. Jos Moonen, Marij Wolswijk en Jos Wolswijk.

foto 2

Josefien Roos, Marij Wolswijk en Jos Moonen zijn de enigen die ik hier herken.

foto 3

foto 4

foto 5

foto 6

foto 7

foto 8

foto 9

Opstellen voor de optocht

foto 10

foto 11

foto 12

foto 13

foto 14

foto 15

foto 16

foto 17

Carel zal wel bij de veegtroepen zijn.

foto 18

foto 19

foto 20

Kan niet missen. Bert Stals als dienstweigeraar 😛

foto 21

Frits Moonen met een wel heel wonderlijke snor.

foto 22

De dames als ‘stoottroepen’. Met mijn in die tijd ook niet geringe, eh, hoe zal ik het zeggen, nou ja longen, had ik er inderdaad goed tussen gepast.

foto 23

foto 24

‘Viskoningin’

maart20

Pap is een fervent visser. In het seizoen staat hij iedere morgen om 4 op om zijn hengel langs het kanaat uit te werpen. Slechte slaper als ik ben kom ik geregeld mijn bed uit en bedel ‘Pap, mag ik mee’. Dat mag niet, want ik moet naar school en moet dan uitgerust zijn. Ik vind het maar raar. Ik kan immers toch niet slapen.‘In de vakantie’ belooft hij. De vakantie breekt aan en voorzichtig kijkt hij om 4 uur of ik nog slaap. Nee hoor, natuurlijk ben ik wakker!! ‘Kom maar’ zegt hij zachtjes. Hij heeft er schijnbaar rekening mee gehouden want mijn boterhammetjes zijn al gesmeerd en een flesje melk heeft hij ook ingepakt. Ik zit op de stang van de fiets, de armen van pa beschermend om me heen. Een heel gedoe met hengels en schepnet maar mijn vader kan echt alles!! ‘Je moet wel stil zijn’ waarschuwt hij als we langs de kant van het kanaal zitten. Ja hoor, dat ben ik wel. Ik krijg mijn eigen hengel. Stilletjes genieten we van de opkomende zon. Het is de eerste keer dat ik dat zie, wat mooi!! Ik heb beet maar wat nu? ‘Pap, pap hèllup mich, hè trèktj dur mich in’ (pap, pap help me, hij trekt me erin). Met hulp van pap haal ik flinke ruts (voorn?) op. Pap glundert net zo hard als ik. Trots vertelt hij het hele gezin hoe goed ik vis. Vooral het, ‘Pap, pap hèllup mich, hè trèktj dur mich in’ moet ik zelfs nu na meer dan 40 jaar nog op familiefeestjes horen.

Pap en ik vissen iedere morgen vóór hij aan het werk moet. Overal vertelt hij hoe begaafd ik als visser ben. Aan het formaat van de vissen die ik vang komt ook wel enig visserslatijn te pas. Hij gloeit van trots als hij vertelt. Het einde van de vakantie breekt aan. Op de laatste zaterdag is er ‘koningsvissen’ en ik mag meedoen. Als we aankomen lacht het merendeel van de deelnemers uit. Één meisje en dan ook nog zo’n ukkie!! De wedstrijd begint. Zij aan zij zitten we met zijn allen langs het kanaal. Pap kijkt een beetje zorgelijk. Het is erg warm, normaal vissen we vroeg in de morgen. Zullen ze wel bijten? De jury is opvallend veel bij ons in de buurt. Ze letten op of ik het wel zelf doe, pap mag niet helpen. Al snel heb ik de eerste keer beet. De jury snelt toe om het visje te wegen. Onder de maat is het oordeel maar ik krijg wel 15 punten. Het visje wordt teruggegooid. De volgende vangsten zijn wat flinker. Je krijgt de punten aan de hand van het aantal grammen. Aan het einde van de wedstrijd volgt de uitslag in een café in de buurt van het kanaal. De spanning is te snijden als de voorzitter van de jury het woord neemt om de winnaar bekend te maken. Yeeeeeaaaaahhhh, ik heb gewonnen! Als een echte griet steek ik mijn tong uit naar de jongens. Lekker puh! Ik mag kiezen uit een hele berg jongensspeelgoed en neem een mooie leren voetbal.

Op maandag staat er na het ‘koningsvissen’ ook nog een berichtje in de krant; Kleine pittige 9 jarige enz. Het berichtje wordt thuis, bij familie en buren uitgeknipt. Ik mag het mee naar school nemen. Ik zit op een meisjes school. Veel meisjes weten het al en vormen bewonderend een kring. Als toppunt van de dag mag ik het ook nog voorlezen in de klas. Pap loopt naast zijn schoenen van trots. Over school wordt niet meer gesproken. Als ik wakker ben, mag ik mee gaan vissen. Slechte slaper als ik ben is dat bijna iedere morgen.

Ooorkonde 1967

Erfenis?

maart17

Het is oud en nieuw. Traditie getrouw vieren wij het al jaren met vier stellen. Wisselend per jaar zorgt er een stel voor het eten en daarna spellen tot in de kleine uurtjes. Vroeger was dat Triviant maar tegenwoordig Pokeren we en daarna spelen we Uno tot in de kleine uurtjes. Het pokeren gaat deze avond wonderbaarlijk goed. Om middernacht zit ik met een grote stapel fiches voor me. Om exact 00.00 uur knalt de champagnekurk en hebben een pauze om vuurwerk kijken. Natuurlijk bellen we en worden gebeld door familie en vrienden. Ik krijg mijn jongste zoon aan de lijn. Enthousiast de beste wensen schreeuwend vertelt hij wat ze aan het doen zijn. Hij heeft duidelijk de nodige alcoholische versnaperingen gehad maar helemaal nuchter ben ik ook niet. ‘Wat doen jullie’ vraagt hij tot slot. ‘Wij pokeren’ informeer ik hem. ‘Wie wint er’ vraagt hij. ‘Tot nu toe ik’ zeg ik. ‘Dat heb je van mij geërfd’ schreeuwt hij enthousiast. Super trots is hij op zo’n moeder. Als hij weer in normale staat is zal ik toch eens voorzichtig informeren of wij ‘het bloemetjes en bijtjes verhaal’ wel goed hebben overgebracht. Overigens ben ik mijn hele ‘kapitaal’ in de loop van de nacht weer verloren.

Nawoord: Helaas is onze vriend Pierre in 2012 overleden. Wat is het anders zonder zijn Bourgondische instelling, genietend van het gezelschap, eten en drinken. In gedachten hoor ik hem moppen vertellen en zijn gulle lach door het huis schallen. Ik mis zijn maffe mailtjes. Oud en nieuw zal nooit meer hetzelfde zijn.

Beestenboel

maart17

Een van mijn broers vindt op een dag een kauw die ligt te piepen langs de weg. Hij neemt hem mee naar huis. Pa zet hem in een doos met in doeken gewikkelde warme kruiken in de keuken want hij is nog bedenkelijk kaal. Al snel is hij gewend en spert zijn snavel wijd open om eten te krijgen. Gelukkig zijn we thuis met veel want het beestje heeft altijd honger. Iedereen die langs hem loopt heeft wel een lekker hapje voor hem, wormen, vliegen maar ook etensresten peuzelt hij lekker op en hij groeit voorspoedig. Ons bastaardhondje Sjors is na de eerste argwanende dagen dol op hem. De liefde blijkt wederzijds want als het kauwtje groot genoeg is om zelf uit de doos te komen wordt het een onafscheidelijk koppel. Het zijn intelligente vogels weet pa. Je kunt ze zelfs leren praten. Dat lijkt ons wel leuk maar ondanks onze verwoede pogingen lukt het niet. Sjors is blijkbaar een betere leermeester want het beestje leert, tot ieders groot vermaak, wel een soort van schor ‘blaffen’. De kauw wordt Jimmie genoemd.

Mijn broertje Henri en ik zijn nog te jong voor school en met zijn vieren trekken we hele dagen samen op. Hoogtepunt van de dag is altijd als de jongens van de landbouwschool langskomen. De school ligt aan het einde van onze straat en de weg langs ons huis is vrijwel de enige manier om er te komen. Een groepje jongens heeft de hatelijke gewoonte om Sjors te pesten. Sjors is dan ook doodsbenauwd voor ze is. Op een dag is het weer zo ver. Sjors wordt met stenen bekogeld en probeert met de staart tussen de benen te vluchten. Dan grijpt één van de jongens verbaasd naar zijn hoofd. Hij wordt aangevallen door Jimmie die schor ‘blaffend’ een duikvlucht uitvoert. De anderen kijken stomverbaasd toe en als Jimmie duikvluchten uit blijft voeren naar het hele stel hollen ze hard weg. Zo gaat het vier keer per dag. De pesters worden op hun weg van en naar school opgewacht door Sjors en Jimmie, de een duikvluchten uitvoerend, de ander, plotseling moedig geworden, hen achtervolgend om ze in de enkels te bijten. Dagelijks rennen ze langs ons huis de schooltassen beschermend boven hun hoofd, uitgelachen door hun schoolgenoten, Henri en mij.

‘Pas maar op jullie’ roepen ze dreigend naar ons van een afstand. Wij zijn echter niet onder de indruk. Op een dag is Jimmie zomaar verdwenen. We hebben hem nooit meer terug gezien. Hij heeft vast een vrouwtje gevonden en woont nu met haar in een mooi nest, proberen onze ouders ons te troosten. Één troost hebben we; Sjors wordt nooit meer gepest. Als de pesters langskomen en Sjors zien kijken ze nog steeds een beetje benauwd naar boven of er misschien toch een onverhoedse aanval uit de lucht komt.

sjors

Helaas geen foto van Sjimmie. Wel van Sjors. Links sta ik, mijn broertje Henri, zusje Margo en achter ons mijn broer Harrie.

Ben je een echte dierenvriend en overweeg je een ‘gratis kitten’ kijk dan eerst op www.stichtingkatimo.nl

Schaapjes

maart17

De schaapskudde is weer in ons deel van de stad. Dit jaar komen ze voor het eerst bij ons grazen. De kudde staat ineens naast mijn huis. Ik ga naar buiten om te kijken en maak een praatje met de herder. Hij kan niet binnenkomen dus drinken we samen buiten een kop koffie en vertelt hij trots alle weetjes over zijn kudde. Het plan is om de schapen dit stuk in het park en rond de vijver 4 maal per jaar te laten begrazen. Je krijgt dan een meer natuurlijke begroeiing en er komen allerlei kruiden en planten die er nu niet meer staan weer terug. Flinn, zijn bordercollie komt er ook bij. We zijn meteen vriendjes en hij vindt het heerlijk als ik hem aanhaal. Ondertussen houdt hij toch de schapen in de gaten en grijpt in als het nodig is. Hij komt daarna weer meteen terug en gaat dan dicht tegen me aan staan, zodat ik weer kan knuffelen.

Af en toe kijkt hij verlangend naar het fonteintje in de tuin. ‘Heeft hij dorst?’ vraag ik. ‘Waarschijnlijk wel’ zegt de herder. Ik wil binnen water wil halen maar hij vraagt of Flinn uit het fontein mag drinken. Natuurlijk mag dat altijd, ook als ik niet thuis ben is. De herder geeft Flinn een teken en gretig begint hij te drinken. Ondertussen houdt hij de zaak in de gaten en schapen die denken dat het in mijn tuin wel gezellig is, worden teruggestuurd. Het valt me op dat de herder Engels spreekt tegen Flinn. Ik vraag waarom en hij vertelt dat hij Flinn pas een paar weken heeft. Flinn komt uit Engeland waar hij een opleiding voor herdershond heeft gevolgd. Hij verstaat alleen Engels. ‘Praat maar dialect tegen hem, dan leert hij dat ook’ zegt de herder lachend. Dan moeten ze weer verder en Flinn kijkt af en toe nog eens verlangend om.

Een paar dagen later hebben Carel en ik een vrije dag en halen we de boodschappen voor het weekend. Morgen moet ik weer werken. Als we terugkomen zien we van veraf een vreemde auto voor ons huis staan en twee mannen in overall in onze tuin werken. ‘Zouden ze van de gemeente onze tuin bij gaan houden?’ vraag ik bevreemd aan mijn man. Het lijkt hem niet erg waarschijnlijk. Dichterbij gekomen zie ik dat één van hen de herder is. Ons voortuintje en de oprit zijn een ravage van schapendrollen en de schapen hebben de struiken gesnoeid. ‘Wat is er toch gebeurt?’vragen we. De herder was met de kudde aan de andere kant van de vijver en een stuk of 8 schapen hadden zich zelfstandig gemaakt. Ze waren om de vijver heen gelopen en vonden onze voortuin wel gezellig. Flinn, de bordercollie, had het ontdekt en had wanhopig geprobeerd om de schapen weer terug te drijven maar het was een koppig stel.

Een buurtbewoner heeft de herder gewaarschuwd. Nadat hij zijn schapen naar het weitje aan de overkant heeft gebracht begint de herder met de inmiddels gebelde hulp de ravage op te ruimen. Flinn is helemaal overstuur en ligt in de schaduw van de auto te hijgen. We vertellen hem hoe knap hij is dat hij helemaal alleen toch zijn werk verrichtte. Hij krijgt knuffels en mag voor deze ene keer een lekker plakje vlees. Nu kwispelt hij weer vrolijk met zijn staart. De mannen krijgen een kop koffie en wij krijgen een nummer dat we kunnen bellen als we onverwacht toch nog door de schapen aangerichte schade ontdekken. Ze maken zelfs de oprit nog met de hogedrukspuit schoon. Als ze vertrekken is alles veel schoner dan die morgen. De struiken hoeven we dit jaar niet zelf te snoeien.

Nawoord:
Helaas komt de schaapskudde niet meer. Ze zijn wegbezuinigd uit de stadswijken. Ik zie ze geregeld nog langs de Maas maar zonder hond en herder. Ze lopen in een afgezet deel. Jammer, het was ieder jaar weer een feest al zijn veel wijkbewoners dat niet met me eens. Er is nogal wat geklaagd over de schapendrollen.

100_1670

Na het voorval met onze tuin werd er steeds een verplaatsbaar hek geplaatst.

100_1669

Ik sta er zelf steeds van te kijken hoe mooi we wonen hier ‘Aan de Wassum’. Niet veel mensen hebben het geluk in een park te wonen.

Boterbabbelaars

maart16

Opa en oma wonen bij ons in (vaader en mooder noemen we ze, waarschijnlijk omdat mijn moeder ze zo noemt) Iedere avond voor wij naar bed gaan moeten wij, de drie jongste kinderen, opa en oma truste wensen en een kus geven. Ik ben dol op opa maar sta doodsangsten uit voor oma. Als we haar een kus hebben gegeven mogen we een boterbabbelaar pakken. Bij mijn broertje en zus gaat dat zonder problemen. Zodra ik aan de beurt ben voor de kus gaat het goed maar iedere dag zodra ik een boterbabbelaar uit het trommeltje neem begint ze te gillen: Cis, Cis det wecht hieet al weer unne riksdaelder gepaktj (Cis, Cis, dat kind heeft alweer een rijksdaalder gepakt). Zo gaat het dag in dag uit. Ik raak dan zo overstuur dat ik niet kan slapen. Hoe lief mam me ook knuffelt, ik ben ontroostbaar. Ik haal veel kattenkwaad uit maar ik steel niet. En hoe ik ook naar dat ene snoepje verlang, ik wil het niet meer.

Vreemd hoe herinneringen weer naar boven komen. Ik ben dit helemaal vergeten tot ik het verhaal ‘Vastentrommeltje’ lees van Anne Marie want mijn vastentrommeltje heb ik nog. Beschadigd en vergeeld en ik dacht dat ik er sleutels in bewaarde maar het zijn bonnen die je overal krijgt die ik erin bewaar. Het is het trommeltje van oma’s boterbabbelaars …..

IMG_0282

Verkering

maart15

De bel gaat. Margo doet open. Voor de deur staat Jolijn, een klasgenootje van haar achtjarige zoon. Is Ruben thuis? Ja hoor, kom maar binnen, hij is thuis. Binnenkomen wil ze niet want ze moet wat vragen. Oké, ik roep hem wel even. Met tegenzin maakt Ruben zich los uit een intens wild spel met zijn vrienden. Moet dat nou. Hij laat de deur openstaan zodat Margo alles meekrijgt. ‘Wil je verkering met Marieke, zij is op je?’, vraagt Jolijn. De vraag overvalt hem duidelijk: Plotseling heeft hij 5 handen en 3 voeten en weet zich geen houding te geven. ‘Ik weet het niet’, aarzelt hij. ‘Als je het niet doet, gaat Marieke huilen’, is het kordate antwoord van Jolijn. Ruben wil duidelijk niet hardvochtig zijn maar blijft aarzelen. Hij weet zich steeds minder raad met zijn houding. ‘He, toe nou’, probeert Jolijn hem over te halen. ‘Nou vooruit dan maar’, is zijn niet overenthousiaste antwoord. Blijkbaar is het nu goed en hij mag terug naar zijn vriendjes om gewoon verder te gaan met hun spel. Door het raam ziet Margo Marieke die half verstopt achter een boom wacht. Jolijn holt naar haar toe en samen maken ze een vreugdedansje voor ze vertrekken. Meer als een antwoord wordt er schijnbaar niet verwacht.

’s Avonds in bed beseft Ruben pas dat hij verkering heeft. ‘Moet ik nu met haar zoenen?’, vraagt hij een beetje benauwd. Thuis is hij een echte knuffelaar maar buitenshuis moet hij er niet veel van hebben. ‘Niet als je dat niet wil’, vertel Margo hem en met een tevreden zucht gaat hij slapen. De volgende woensdag mag hij ‘s middags bij Marieke thuis eten en spelen. Om 17.00 uur haalt Margo hem op en hij is helemaal enthousiast. Onder het eten alleen nog verhalen over Marieke; ze is zóóóóó leuk en ook zóóóóó lief. Haar vader is tandarts en Ruben besluit dat zij hem dan ook maar als tandarts moeten nemen; véééééél leuker dan die van ons. Zo gaat het weken door: Het enthousiasme blijft, het gaat blijkbaar goed met de liefde. Dan komt de dag dat hij verdrietig uit school komt: Het is uit, Marieke wil hem niet meer. Ze is op een ander. Pas ’s avonds in bed komt het hele verhaal eruit. Marieke heeft het uitgemaakt omdat hij niet wilde kussen. Margo had immers gezegd dat het niet hoefde. Toch krijgt ze nog een dikke pakkerd van hem. Dit had ze dus echt niet verwacht. Welk kind luistert er tegenwoordig nog naar zijn moeder?

« Older Entries