Mijn momentjes

Momenten uit mijn leven die ik wil delen
Browsing Het zal je kind maar wezen …….

Mooi!!!!!!!!

juni25

Ik sta voor het loket van de bank en om hem niet uit het oog te verliezen heb ik mijn bijna 4 jarige zoon Roel op de Bali voor me gezet. De bankmedewerker is van alles uit aan het zoeken en ondertussen moet ik papieren invullen. Dan kan ik geen rond rennend kind gebruiken. Roel stoot me aan en als ik hem aankijk, zie ik hem staren. Ik kijk waarnaar. Naast me staat een meneer met een bijna zwarte huidskleur. Hoewel Roel met mensen van allerlei kleur en ras is opgegroeid, heeft hij zo’n erg zwarte meneer nog nooit gezien. Ik ook niet want hij is echt diep zwart. Dan buigt Roel naar voren en ik hou mijn hart vast. Nu gaat het komen…… Roel aait over de hand van de meneer en zegt: ‘Wat ben jij mooi.’ De meneer begint te lachen en zegt: ‘Dat hoor ik niet vaak’. Roel aait nog een keer en zegt: ‘Niet met zeep wassen hoor want dan wordt je wit.’ Alle wachtenden beginnen te grinniken en onder elkaar te praten. De zwarte meneer wordt ook betrokken in het gesprek. Als ik eindelijk klaar ben staat hij nog steeds met mensen te praten. Wij wuiven naar hem maar worden buiten door hem ingehaald. ‘Ha Roel:’ zegt hij want ze hebben zich aan elkaar voorgesteld. ‘Blijf zoals je bent en laat mensen zien dat we allemaal mooi zijn.’

‘Bewaarschool’

maart24

Na de verdwijning van Jimmie* blijven we een hecht drietal, Henri mijn jongste broertje, Sjors ons kleine keffertje en ik. Dan word ik 4 jaar en moet naar de bewaarschool (kleuterschool voor de niet Limburgers). Ik sputter flink tegen als mam en Henri me naar school brengen. Sjors volgt ons altijd op de voet dus ook nu ontbreekt hij niet. Na mijn aanvankelijke tegenzin vind ik het geweldig. Ik mag een paard tekenen en kleuren en de juffrouw zegt dat ze nog nooit zo’n mooi paard heeft gezien. Ze hangt mijn tekening op en als ik weer wordt opgehaald laat ik mam en Henri door het raam trots mijn prestatie zien. Henri is een beetje jaloers, zonder zijn kleine grote zus heeft hij toch een beetje moeite de dag door te komen. Trouw brengt en haalt hij me, samen met mam en Sjors, iedere dag van en naar school. We zijn beiden dolgelukkig als ook hij naar school mag. Omdat we net iets meer dan één jaar in leeftijd verschillen, komen we in hetzelfde klasje en mogen we zelfs samen een bankje delen. Omdat we samen zijn heeft Henri geen moeite om te wennen. We mogen meteen aan een werkje beginnen. Onze schooldag verloopt echter anders dan verwacht!

Na een kwartiertje ontstaat er tumult in het klasje. Buiten klinkt een luid geblaf en de meeste kinderen beginnen te lachen en te wijzen. Boven de vensterbank verschijnt geregeld het kopje van Sjors die voor het raam staat te blaffen en te springen. In opdracht van de juffrouw moeten Henri en ik hem naar huis sturen. ‘Noa hooès’ roepen wij streng tegen Sjors, ondertussen dubbel liggend van het lachen. Dat is Sjors duidelijk niet van plan. Dolgelukkig jankend blijft hij tegen ons op springen. De juffrouw probeert het ook nog maar Sjors weet nog goed hoe ze hem geregeld heeft geknuffeld en ook haar strengheid maakt geen indruk. Als oudste moet ik Sjors naar huis brengen. Het is immers niet ver en ik kan snel weer terug zijn. Mam is verbaasd als ze mij ziet en na mijn uitleg belooft ze Sjors op te sluiten. In een groot huishouden als het onze, waar iedereen in en uit loopt zonder deuren te sluiten, is dat gemakkelijker gezegd dan gedaan. Als ik weer op school kom, zit Sjors al voor de deur te wachten. Zo gaat dat enkele dagen. Dan besluit de juffrouw dat Sjors ook naar school mag. Dat is rustiger dan iedere dag het geblaf en gespring voor het raam. Tevreden ligt hij iedere dag onder ons bankje, een jaar lang. Na de vakantie moet ik naar de lagere school en mam maakt zich al ernstig zorgen hoe het straks moet als Henri ook naar de lagere school moet. Maar Sjors wordt ziek en op een morgen ligt hij dood in de keuken. Ons verdriet is groot als we hem plechtig begraven achter in de tuin. Ons lieve Sjorske gaat nooit meer mee naar school.

*lees ook beestenboel

Erfenis?

maart17

Het is oud en nieuw. Traditie getrouw vieren wij het al jaren met vier stellen. Wisselend per jaar zorgt er een stel voor het eten en daarna spellen tot in de kleine uurtjes. Vroeger was dat Triviant maar tegenwoordig Pokeren we en daarna spelen we Uno tot in de kleine uurtjes. Het pokeren gaat deze avond wonderbaarlijk goed. Om middernacht zit ik met een grote stapel fiches voor me. Om exact 00.00 uur knalt de champagnekurk en hebben een pauze om vuurwerk kijken. Natuurlijk bellen we en worden gebeld door familie en vrienden. Ik krijg mijn jongste zoon aan de lijn. Enthousiast de beste wensen schreeuwend vertelt hij wat ze aan het doen zijn. Hij heeft duidelijk de nodige alcoholische versnaperingen gehad maar helemaal nuchter ben ik ook niet. ‘Wat doen jullie’ vraagt hij tot slot. ‘Wij pokeren’ informeer ik hem. ‘Wie wint er’ vraagt hij. ‘Tot nu toe ik’ zeg ik. ‘Dat heb je van mij geërfd’ schreeuwt hij enthousiast. Super trots is hij op zo’n moeder. Als hij weer in normale staat is zal ik toch eens voorzichtig informeren of wij ‘het bloemetjes en bijtjes verhaal’ wel goed hebben overgebracht. Overigens ben ik mijn hele ‘kapitaal’ in de loop van de nacht weer verloren.

Nawoord: Helaas is onze vriend Pierre in 2012 overleden. Wat is het anders zonder zijn Bourgondische instelling, genietend van het gezelschap, eten en drinken. In gedachten hoor ik hem moppen vertellen en zijn gulle lach door het huis schallen. Ik mis zijn maffe mailtjes. Oud en nieuw zal nooit meer hetzelfde zijn.

Beestenboel

maart17

Een van mijn broers vindt op een dag een kauw die ligt te piepen langs de weg. Hij neemt hem mee naar huis. Pa zet hem in een doos met in doeken gewikkelde warme kruiken in de keuken want hij is nog bedenkelijk kaal. Al snel is hij gewend en spert zijn snavel wijd open om eten te krijgen. Gelukkig zijn we thuis met veel want het beestje heeft altijd honger. Iedereen die langs hem loopt heeft wel een lekker hapje voor hem, wormen, vliegen maar ook etensresten peuzelt hij lekker op en hij groeit voorspoedig. Ons bastaardhondje Sjors is na de eerste argwanende dagen dol op hem. De liefde blijkt wederzijds want als het kauwtje groot genoeg is om zelf uit de doos te komen wordt het een onafscheidelijk koppel. Het zijn intelligente vogels weet pa. Je kunt ze zelfs leren praten. Dat lijkt ons wel leuk maar ondanks onze verwoede pogingen lukt het niet. Sjors is blijkbaar een betere leermeester want het beestje leert, tot ieders groot vermaak, wel een soort van schor ‘blaffen’. De kauw wordt Jimmie genoemd.

Mijn broertje Henri en ik zijn nog te jong voor school en met zijn vieren trekken we hele dagen samen op. Hoogtepunt van de dag is altijd als de jongens van de landbouwschool langskomen. De school ligt aan het einde van onze straat en de weg langs ons huis is vrijwel de enige manier om er te komen. Een groepje jongens heeft de hatelijke gewoonte om Sjors te pesten. Sjors is dan ook doodsbenauwd voor ze is. Op een dag is het weer zo ver. Sjors wordt met stenen bekogeld en probeert met de staart tussen de benen te vluchten. Dan grijpt één van de jongens verbaasd naar zijn hoofd. Hij wordt aangevallen door Jimmie die schor ‘blaffend’ een duikvlucht uitvoert. De anderen kijken stomverbaasd toe en als Jimmie duikvluchten uit blijft voeren naar het hele stel hollen ze hard weg. Zo gaat het vier keer per dag. De pesters worden op hun weg van en naar school opgewacht door Sjors en Jimmie, de een duikvluchten uitvoerend, de ander, plotseling moedig geworden, hen achtervolgend om ze in de enkels te bijten. Dagelijks rennen ze langs ons huis de schooltassen beschermend boven hun hoofd, uitgelachen door hun schoolgenoten, Henri en mij.

‘Pas maar op jullie’ roepen ze dreigend naar ons van een afstand. Wij zijn echter niet onder de indruk. Op een dag is Jimmie zomaar verdwenen. We hebben hem nooit meer terug gezien. Hij heeft vast een vrouwtje gevonden en woont nu met haar in een mooi nest, proberen onze ouders ons te troosten. Één troost hebben we; Sjors wordt nooit meer gepest. Als de pesters langskomen en Sjors zien kijken ze nog steeds een beetje benauwd naar boven of er misschien toch een onverhoedse aanval uit de lucht komt.

sjors

Helaas geen foto van Sjimmie. Wel van Sjors. Links sta ik, mijn broertje Henri, zusje Margo en achter ons mijn broer Harrie.

Ben je een echte dierenvriend en overweeg je een ‘gratis kitten’ kijk dan eerst op www.stichtingkatimo.nl

Verkering

maart15

De bel gaat. Margo doet open. Voor de deur staat Jolijn, een klasgenootje van haar achtjarige zoon. Is Ruben thuis? Ja hoor, kom maar binnen, hij is thuis. Binnenkomen wil ze niet want ze moet wat vragen. Oké, ik roep hem wel even. Met tegenzin maakt Ruben zich los uit een intens wild spel met zijn vrienden. Moet dat nou. Hij laat de deur openstaan zodat Margo alles meekrijgt. ‘Wil je verkering met Marieke, zij is op je?’, vraagt Jolijn. De vraag overvalt hem duidelijk: Plotseling heeft hij 5 handen en 3 voeten en weet zich geen houding te geven. ‘Ik weet het niet’, aarzelt hij. ‘Als je het niet doet, gaat Marieke huilen’, is het kordate antwoord van Jolijn. Ruben wil duidelijk niet hardvochtig zijn maar blijft aarzelen. Hij weet zich steeds minder raad met zijn houding. ‘He, toe nou’, probeert Jolijn hem over te halen. ‘Nou vooruit dan maar’, is zijn niet overenthousiaste antwoord. Blijkbaar is het nu goed en hij mag terug naar zijn vriendjes om gewoon verder te gaan met hun spel. Door het raam ziet Margo Marieke die half verstopt achter een boom wacht. Jolijn holt naar haar toe en samen maken ze een vreugdedansje voor ze vertrekken. Meer als een antwoord wordt er schijnbaar niet verwacht.

’s Avonds in bed beseft Ruben pas dat hij verkering heeft. ‘Moet ik nu met haar zoenen?’, vraagt hij een beetje benauwd. Thuis is hij een echte knuffelaar maar buitenshuis moet hij er niet veel van hebben. ‘Niet als je dat niet wil’, vertel Margo hem en met een tevreden zucht gaat hij slapen. De volgende woensdag mag hij ‘s middags bij Marieke thuis eten en spelen. Om 17.00 uur haalt Margo hem op en hij is helemaal enthousiast. Onder het eten alleen nog verhalen over Marieke; ze is zóóóóó leuk en ook zóóóóó lief. Haar vader is tandarts en Ruben besluit dat zij hem dan ook maar als tandarts moeten nemen; véééééél leuker dan die van ons. Zo gaat het weken door: Het enthousiasme blijft, het gaat blijkbaar goed met de liefde. Dan komt de dag dat hij verdrietig uit school komt: Het is uit, Marieke wil hem niet meer. Ze is op een ander. Pas ’s avonds in bed komt het hele verhaal eruit. Marieke heeft het uitgemaakt omdat hij niet wilde kussen. Margo had immers gezegd dat het niet hoefde. Toch krijgt ze nog een dikke pakkerd van hem. Dit had ze dus echt niet verwacht. Welk kind luistert er tegenwoordig nog naar zijn moeder?

Tuinkabouter

maart15

Ze heeft helemaal niets met tuinkabouters. Sterker nog, ze heeft altijd gezegd dat zo’n ding bij hen nooit in de tuin komt. Toch heeft ze nu al jaren een tuinkabouter in haar voortuin staan. Hij heeft geen voetjes en ziet er afgrijselijk uit. Wie wil er nu zo’n monster in de tuin? Zij dus! Dit is toevallig een héle dure tuinkabouter. Géén design maar een tuinkabouter met een verhaal.

Haar jongste zoon houdt van uitgaan in het weekend. Als je wat gedronken hebt, kun je wel eens flauwe streken uithalen die door de ‘slachtoffers’ niet gewaardeerd worden. De jeugd heeft echter dolle pret. Deze keer moet een tuinkabouter het ontgelden. Hij wordt ontvoerd. Gewoon omdat ze hem met hun dronken kop in een voortuin zien staan. De gestolen tuinkabouter is haar een doorn in het oog. Hij staat in de garage, wachtend op zijn rechtmatige eigenaar. Niemand lijkt echter een tuinkabouter te missen en de jeugd weet niet eens meer in welke buurt ze hem hebben meegenomen. Dat hij op een avond zomaar verdwenen is valt haar niet op. Een paar dagen later ligt hij echter weer in de garage. Hij kan niet meer staan want hij heeft geen voetjes en is duchtig gehavend. Verwonderd neem ze hem mee naar binnen. Als ze vraagt hoe dat nu komt, vertelt haar zoon met een hoogrode kleur het verhaal.

Zijn vriend woont praktisch tegenover hen in een drie verdiepingen hoog huis met een plat dak. Omdat hij net terug is van zijn vijf maanden durende stage in Hongarije geeft hij een giga feest. De tuinkabouter is ook uitgenodigd en zorgt de hele avond voor de nodige pret. Als op een laat tijdstip de nodige biertjes zijn genuttigd, bedenkt iemand dat het wel leuk is om de tuinkabouter op het hoge dak te gooien. Er worden diverse pogingen gedaan maar het wil niet lukken. Wonder boven wonder is de tuinkabouter nog heel. Zoonlief zal wel eens even voordoen hoe het moet. Meteen de eerste poging lijkt te lukken. Helaas, de tuinkabouter stuitert net tegen de dakrand en komt in volle vaart weer naar beneden………….. boven op de auto van de vader van de vriend. De voetjes zijn eraf maar erger is de flinke deuk in de motorkap van de auto. Natuurlijk mag de verzekering voor de schade opdraaien. Die is nog behoorlijk. Zoonlief mag het eigen risico zelf betalen.

Ze staat op het punt hem weg te gooien maar vindt een tuinkabouter met een verhaal toch wel bijzonder en zet hem in de tuin. Voor zover ze weet zijn er geen tuinkabouters meer ontvoerd. Als het wel zo is, hebben ze in ieder geval nooit meer bij haar gelogeerd. De dure flink gehavende tuinkabouter staat al jaren in haar voortuin gedeeltelijk ingegraven in het grint. Niemand ziet dat hij geen voetjes meer heeft. Soms komt hij spontaan van zijn plaats en ligt hij een stukje verder op in de straat te wachten tot iemand hem weer op zijn plekje zet. Teruglopen is waarschijnlijk toch te vermoeiend zonder voetjes……..

tuinkabouter

Wat een meisje

maart13

Ik ben echt een stout kind en mijn moeder heeft haar handen vol aan mij. Poppen zijn aan mij niet besteed; ik haal ze hooguit uit elkaar om te zien hoe ze er aan de binnenkant uitzien. Mijn één jaar oudere zus houdt haar poppen angstvallig bij mij uit de buurt. Zij is een echt poppenmoedertje en kan uren met haar vriendinnen en haar poppen spelen. Van de Sint krijg ik een echte schildpadpop; een grote investering in het gezin als het onze. Dit omdat deze pop de naam heeft onverwoestbaar te zijn. Mogelijk inspireert zij mij tot meer meisjesachtig gedrag.

Ik ben hevig teleurgesteld, want ik had gehoopt op een trein of blokken om te bouwen. Het hele gedoe met jongens en meisjes speelgoed snap ik echt niet. Met mijn hevig gehate pop vertrek ik naar buiten. Alle vriendjes en vriendinnetjes pronken met de gekregen cadeautjes. De jongens waar ik altijd mee speel halen minachtend hun schouders op. Een pop, wat moet je daar nou mee. Ze hebben geen interesse. Ik ben stikjaloers op hun speelgoed; ballen, blokken, auto’s. Precies wat ík zou willen. De pop wordt achteloos aan de kant gegooid voor een partijtje voetbal.

Als we uitgespeeld zijn plaagt Jan me weer met mijn pop. Jan is mijn allerbeste vriend en we hebben afgesproken dat we later trouwen. Snibbig antwoord ik dat dit toevallig wel een heel speciale pop is, want ze kan niet stuk. Nu is het interesse van de jongens gewekt. Een pop die niet stuk kan daar moet je toch wat mee. We gooien haar eerst om beurten zo hard mogelijk tegen de grond. Inderdaad, geen krasje of deukje. We gebruiken de pop als voetbal en daarna springen we zo hard mogelijk op haar, het haalt niets uit; die stomme pop lijkt echt onverwoestbaar. De jongens verliezen hun interesse en willen voetballen. ‘Ga jij maar lekker met je pop spelen’, zeggen ze.

Verdrietig sta ik aan de kant. Mistroostig zie ik hoe de buurman zich voorbereidt voor zijn ritueel; vertrekken met zijn auto. Hij is een van de weinigen in onze buurt die een auto heeft. Hij loopt altijd een aantal keren op en neer om nog wat vergeten dingen te halen. Mogelijk om er zo van verzekerd te zijn dat zoveel mogelijk mensen hem zien vertrekken, want zijn auto is zijn trots. Als hij weer naar binnen gaat, krijg ik een idee. Die pop is immers onverwoestbaar. Snel leg ik haar voor de achterwielen van de auto.

Jan heeft het gezien en komt bij me staan. De rest van de jongens volgt al snel. Buurman komt weer buiten en bekijkt ons met enige achterdocht. Hij bekijkt zijn auto van alle kanten maar als hij ziet dat we niet weer een rotgeintje hebben uitgehaald, stapt hij in. Vol spanning wachten we af. Mogelijk stapt buurman weer uit en ziet de pop alsnog? Gelukkig start hij en rijdt weg.

Nieuwsgierig gaan we kijken. De pop is gesneuveld. Haar lijfje is helemaal platgereden en gebarsten. Ze is onherstelbaar beschadigd. We juichen luid. ‘Wat zullen ze boos op je zijn’, zegt Jan lachend. Oeps, daar heb ik niet aan gedacht. Stil sluip ik het huis in en leg de pop in bed onder de dekens. Daar wordt ze de volgende dag met bed opmaken door mam ontdekt. Natuurlijk is ze boos maar ik heb nooit meer een pop gekregen.

Ei

maart12

Roel is bijna 4 en wil toch wel eens weten hoe het kan dat er een baby in mijn buik aan het groeien is. Gezellig zitten we samen op de bank en ik vertel van het zaadje van papa en het eitje van mama. Als de twee samen komen groeit daaruit de baby. Roel vraagt niet verder en zegt: ‘ O, nou snap ik het’. Als hij zijn limonade op heeft gaat hij buiten spelen. Tegen vijven ben ik aan het koken. Moegespeeld komt Roel weer binnen. Hij kijkt me nadenkend aan en vraagt: ‘Heb je vandaag al een ei gelegd?’

Katjes!!!!

maart10

Muizen!! Iedere morgen liggen er keuteltjes in de keuken. Moeder griezelt ervan. Er worden vallen gezet en iedere dag vinden we wel weer een nieuw ‘lijk’ in een val. Maar de muizenplaag blijft, er komt geen einde aan. Er moet een poes komen, besluiten vader en moeder op een avond. Mijn zusje Margo en ik bedelen om twee katjes. Eerst voelen vader en moeder daar niet zoveel voor, maar uiteindelijk geven ze toe. Er zijn immers muizen genoeg. Het moeten wel jonge katjes zijn, die lopen niet weg. Zondagmorgen na de mis gaan we naar een boerderij in de buurt. Margo fietst en ik zit op de bagagedrager. Moeder heeft een grote doos meegegeven met een oude lap erin waarin de katjes lekker warm blijven. De terugweg moeten we lopen, de doos op de bagagedrager zetten en vasthouden. De hele weg zingen en lachen we. We verheugen ons zó op de poesjes.

De boerin is een vriendelijke vrouw. Ja hoor, ze hebben wel twee katjes voor ons maar eerst krijgen we een beker verse melk en een eigengebakken koekje. Wat een traktatie. Ze brengt ons naar de boer, een norse man, en vertelde wat wij willen. ‘Kom mee’, zegt hij kortaf en brengt ons naar een grote schuur. ‘Ik heb het kreng met haar jongen gisteren gevonden. Kies maar uit wat je wil, de rest verzuip ik straks, met moeders erbij’. Hij loopt weg, Margo en mij griezelend achterlatend over zoveel wreedheid. We kunnen niet kiezen en hebben medelijden met moederpoes en haar zes jonkies, de een nog leuker dan de ander. Wie moeten we kiezen? Wie gaat hij straks verzuipen? Onze vrolijkheid is over en met tranen in de ogen staan we te overleggen. Vooruit ‘maedjes’ ik heb niet de hele dag. We zeggen dat we niet kunnen besluiten. ‘Dan neem je toch alles mee’, zegt hij.

Wat een goed idee! Moederpoes stribbelt heftig tegen maar uiteindelijk zit toch de hele kattenbende in de doos en gaan we vrolijk op weg naar huis. Uit de  doos klinkt geregeld gejammer van moederpoes en de kleintjes piepen zielig mee. Hoe dichter bij huis, hoe stiller we worden. We hebben immers al om twee katjes moeten bedelen. Wat zullen vader en moeder zeggen als we met zeven katten thuiskomen? De hele familie is thuis en de oudere broers en onze grote zus liggen in een deuk omdat wij het aandurven om met zeven in plaats van twee katten thuis te komen. Inderdaad, moeder moppert maar vooral over de boer die ons katjes mee had willen geven die hooguit drie weken oud zijn. We moeten ze maar terugbrengen. Met dikke tranen vertellen we wat de boer heeft gezegd. Iedereen roept; ‘Wat gemeen’.

Vader wordt erbij geroepen en er volgt druk overleg wat te doen. Alle kinderen roepen; ‘Ze mogen niet dood’. Na veel heen en weer gepraat wordt besloten dat het hele spul dan maar moet blijven. Moederpoes kan alvast beginnen de muizenplaag onder poten te nemen. Dat doet ze ook ijverig. Mensen zoeken die een jong poesje willen is geen probleem. Veel mensen in de buurt hebben een muizenplaag. De buurtkinderen komen iedere dag kijken en degenen die geen katje mogen zijn stik jaloers. Twee katjes blijven, de andere vier gaan naar hun nieuwe baasjes als ze oud genoeg zijn. Mama poes blijft een beetje mensenschuw en als haar jonkies oud genoeg zijn en haar niet meer nodig hebben, verdwijnt ze zomaar. We hebben nog gezocht, maar haar nooit meer gevonden.
www.stichtingkatimo.nl

oudefoto-kopie

Handenbindertje

maart10

Ik sta in de buurt bekend als lastig kind. Iedereen weet het, slecht slapen, moeilijk met eten en het liefst buiten met de jongens uit de buurt spelen. Aanvoeder bij het uithalen van kattenkwaad en als er weer wat gebeurt dat niet door de beugel kan wijzen de beschuldigende vingers meestal in mijn richting. Mam heeft haar handen vol aan mij, maar blijft altijd lief en geduldig. Als ik weer eens vuil en met slordige kleren thuiskom staat mam in de achtertuin en maakt over de heg onder het was ophangen een praatje met de buurvrouw.

Die kijkt me afkeurend aan en zegt; ‘Dat jij haar zo haar gang laat gaan. Ik zou zo denken dat je met al die kinderen al werk genoeg hebt. Als ík er zo’n handenbindertje tussen had, zou ik haar die streken snel afgeleerd hebben. Je moet haar geregeld eens flink onder handen nemen. Je moet haar strenger straffen. Af en toe een stevig pak slaag zou haar goed doen’. Mam zegt wijselijk niets. Ze neemt me mee naar binnen. Ik krijg geen pak slaag, maar ze helpt me met handen wassen en weer een ander stel door de oudere kinderen al afgedragen kleren waarmee ik straks weer buiten mag ravotten. Ik krijg een boterham die ik voor deze keer eens braaf opeet.

Die dag loop ik te broeden over de uitspraak van de buurvrouw. Ik heb toch nog nooit de handen van iemand vastgebonden? De volgende dag is het zaterdag. Baddag, heerlijk. De kuip wordt weer in de keuken gezet en om beurten gaat iedereen in bad. De oudsten eerst. Als jongste van de kinderen mogen mijn broertje en ik als laatste van het hele stel naar hartelust kliederen en spelen. Altijd dolle pret. Als we klaar zijn, droogt mijn oudste zus mijn broertje af, mam haalt mij uit bad. ‘Mam, wat is een handenbindertje’, vraag ik. Mam pakt me half afgedroogd op en knuffelt me stevig. Na nog een dikke klapzoen zegt ze:’Het liefste kleine meisje op de wereld, dat nog moet leren dat ze goed moet slapen en eten’. Ik geef een dikke knuffel terug en zeg: ‘Jij bent de aller, allér allerliefste mama van de hele wereld’. Ik neem me plechtig voor om nóóit meer stout te zijn.

« Older Entries