Mijn momentjes

Momenten uit mijn leven die ik wil delen
Browsing Dit ben ik, take it or leave it!!!!

Eng Halloweenfeestje

november29

Op de terugweg vanuit België naar huis moet ik nog in Molenbeersel (België) zijn. Op zich geen probleem want ik zet na mijn stop de navigatie gewoon op thuis en karren maar. Ter ere van Halloween op de radio een lekker spooky liedje (Jeanny van Falco). In gedachten zie ik die enge clip voor me. De navigatie stuurt me naar het (denk ik) niemandsland tussen België en Nederland. Bos weggetjes waarop net één auto past en je hoopt dat er geen tegenligger komt. Met enige fantasie kun je de weg net verharde weg noemen. Nergens verlichting behalve mijn koplampen. Tussen de bomen is het nevelig en het ziet er ietwat spookachtig uit. Net als ik bedenk hoe blij ik ben met mijn navigatie, valt mijn radio weg en geeft mijn navigatie ‘geen signaal beschikbaar’ aan. Ik stop en denk wat nu? Ik heb geen andere keuze dan langzaam doorrijden met mijn grote licht aan. Ik kies alles wat op ietwat verharde weg lijkt. De nevel wordt erger en Jeanny spookt nog door mijn hoofd. Maak jezelf niet gek zeg ik hardop en moedig rijd ik door. Na een tijd die uren lijkt zie ik straat verlichting. Ik ben weer in de bewoonde wereld. Mijn navigatie en radio werken weer en ik merk dat ik ondanks de kilte zweetdruppeltjes op mijn neus heb. Foei geen leuke ervaring maar nu moet er toch wel een beetje om lachen ‪

Kussen na je 30e

mei9

Ze is mijn collega, 21 jaar en ze gaat binnenkort trouwen. Iedere dienst die we samen draaien heeft maar één onderwerp: Het aanstaande huwelijk. Ik ben 35 jaar en ondanks het leeftijdsverschil klikt het. Leuk dat ze ook steeds wil weten wat ik deed en wat ik voelde. Op een avond zegt ze me: ‘Niet boos op me worden maar ik vind het zo goor als mensen van boven de 30 jaar kussen, om over de rest maar niet te spreken.’ Even ben ik verbijsterd maar dan schiet ik hartelijk in de lach. ‘We spreken elkaar vast nog daarover Maureen.’ We zijn allemaal uitgenodigd op de bruiloft en het is een knalfeest waar ik me prima amuseer.

Jaren later ben ik Unithoofd op de Kraamafdeling. Het is druk en er zijn zieken. Ik ben nooit te beroerd om de handen uit de mouwen te steken en help dus mee op de afdeling. Bij de overdracht door de nachtdienst laat een naam een belletje rinkelen in mijn achterhoofd. Zou het? Nee vast niet. Die kamer is echter voor mij besluit ik. Inderdaad als ik de kamer oploop ligt daar de bewuste collega Maureen. Nee ze is niet onder de 30 jaar maar 31 jaar en bevallen van haar 2e dochter. Ik verzorg haar maar zeg niets over haar uitspraak voor ze trouwde. Ze begint er echter zelf over. ‘ Wat was ik onnozel, Thea’ zegt ze. Nu kan ik het niet laten om toch te zeggen: ‘Ik heb je gezegd dat we elkaar nog zouden spreken daarover Maureen.’ Nu moeten we er allebei hartelijk om lachen.

Snoeibeleid

mei3

Ieder jaar worden, ondanks de belofte aan ons dat alleen het hoognodige wordt gesnoeid, in het park rond ons huis rigoureus bomen en struiken omgezaagd. Op ons commentaar dat het wel erg kaal wordt en wij onze mooie natuur en privacy kwijtraken krijgen wij te horen dat het wel weer aan zal groeien. Er groeit inderdaad wat aan; meters hoge brandnetels. Nadat wij deze zelf verwijderd hebben en ook hierover een klacht hebben ingediend wordt er inderdaad onderhoud gepleegd.

Er wordt geschoffeld en al het ‘onkruid’ verwijderd. Dit zijn de door mij ingezaaide wilde bloemen waarvan ik het zaad tijdens mijn wandelingen door de Wassum (het park) heb verzameld. Om de inmiddels weer hoog opgeschoten brandnetels wordt zorgvuldig heen geschoffeld. Ik heb bewust alleen bloemen ingezaaid die hier al voorkomen. Ik begrijp dat in een biotoop de brandnetels beslist een plaats moeten hebben maar de laatste jaren zijn ze de hoofdbegroeiing van het mooie park geworden. Ik was heel blij met de schaapskudde die zou zorgen voor de verspreiding van zaden van bloemen en kruiden. Zij hadden echter geen trek om de grote hoeveelheid brandnetels te verorberen.

Ik vraag bij de gemeente of ik de strook grond naast mijn huis mag adopteren en zelf onderhouden. Dat kan in de gemeente Venlo dus niet. Zonder verdere argumenten wordt mijn verzoek afgewezen. Op mijn mail met de argumenten waarom ik dit wil krijg ik geen antwoord. Het schoffel en snoeibeleid van de gemeente Venlo blijft voor mij een groot raadsel.

Al jaren kom ik thuis van mijn werk en jawel hoor, ze zijn weer geweest. Het stukje grond naast mijn huis is weer zorgvuldig ontdaan van bloeiend onkruid zoals klaproosjes en korenbloemen. Een blik is voldoende om te zien dat er weer om de brandnetels is heen geschoffeld. Ons eens zo mooie park wordt er nu echt door overwoekerd. Het wandelen wordt nagenoeg onmogelijk; Dat gaat alleen nog met hoge schoenen en een dikke spijkerbroek aan. De schapen die voor een natuurlijke begroeiing moeten zorgen zijn ondertussen weggesaneerd. Ik kan het ze niet kwalijk nemen dat ook zij met een grote boog om het brandnetel oerwoud heen liepen en smakelijkere hapjes zochten.

We wonen hier inmiddels 8 jaar. Ik ben alweer een brief aan het maken om het stuk grond naast mijn huis te adopteren. Wie weet komt hij mogelijk toch eens terecht bij iemand met begrip voor mijn standpunt.

100_1668

Ik mis ze echt. Samen met mijn overburen zijn wij een van de weinigen die echt van ‘overlast’ zouden kunnen spreken omdat ze volgens de herders nergens zo dicht bij de huizen kwamen als bij ons. Wij vonden het prachtig. Helaas dachten velen in de woonwijk er anders over.

Pokke Foon

maart26

Ik ben aan het werk als ik een SMS van een patiënte krijg die toevallig ook op deze locatie werkt. Thea, ben je hier en zo ja kan ik dan even komen? Ik heb geen patiënt en SMS haar terug: Ja hier, kom maar. Meteen een bericht terug: Leuk hoor, dank je voor het compliment 🙁 Ik kijk naar mijn bericht en kan wel door de grond zakken. Wat een stomme tikfout. Er staat: Ja hoer, kom maar. Ik bel haar meteen en gelukkig kan ze er wel mee lachen. Ik ook, als een boer die kiespijn heeft. Later die dag SMS ik met een van de therapeuten. Weer tik ik hoer in plaats van hier. Mopperend op mezelf zie ik het nu en wis en verander het. Als er weer hoer staat snap ik het. Niet ik maak tikfouten maar mijn automatische spellingscontrole veranderd hier in hoer. Stomme pokke foon.

‘Bewaarschool’

maart24

Na de verdwijning van Jimmie* blijven we een hecht drietal, Henri mijn jongste broertje, Sjors ons kleine keffertje en ik. Dan word ik 4 jaar en moet naar de bewaarschool (kleuterschool voor de niet Limburgers). Ik sputter flink tegen als mam en Henri me naar school brengen. Sjors volgt ons altijd op de voet dus ook nu ontbreekt hij niet. Na mijn aanvankelijke tegenzin vind ik het geweldig. Ik mag een paard tekenen en kleuren en de juffrouw zegt dat ze nog nooit zo’n mooi paard heeft gezien. Ze hangt mijn tekening op en als ik weer wordt opgehaald laat ik mam en Henri door het raam trots mijn prestatie zien. Henri is een beetje jaloers, zonder zijn kleine grote zus heeft hij toch een beetje moeite de dag door te komen. Trouw brengt en haalt hij me, samen met mam en Sjors, iedere dag van en naar school. We zijn beiden dolgelukkig als ook hij naar school mag. Omdat we net iets meer dan één jaar in leeftijd verschillen, komen we in hetzelfde klasje en mogen we zelfs samen een bankje delen. Omdat we samen zijn heeft Henri geen moeite om te wennen. We mogen meteen aan een werkje beginnen. Onze schooldag verloopt echter anders dan verwacht!

Na een kwartiertje ontstaat er tumult in het klasje. Buiten klinkt een luid geblaf en de meeste kinderen beginnen te lachen en te wijzen. Boven de vensterbank verschijnt geregeld het kopje van Sjors die voor het raam staat te blaffen en te springen. In opdracht van de juffrouw moeten Henri en ik hem naar huis sturen. ‘Noa hooès’ roepen wij streng tegen Sjors, ondertussen dubbel liggend van het lachen. Dat is Sjors duidelijk niet van plan. Dolgelukkig jankend blijft hij tegen ons op springen. De juffrouw probeert het ook nog maar Sjors weet nog goed hoe ze hem geregeld heeft geknuffeld en ook haar strengheid maakt geen indruk. Als oudste moet ik Sjors naar huis brengen. Het is immers niet ver en ik kan snel weer terug zijn. Mam is verbaasd als ze mij ziet en na mijn uitleg belooft ze Sjors op te sluiten. In een groot huishouden als het onze, waar iedereen in en uit loopt zonder deuren te sluiten, is dat gemakkelijker gezegd dan gedaan. Als ik weer op school kom, zit Sjors al voor de deur te wachten. Zo gaat dat enkele dagen. Dan besluit de juffrouw dat Sjors ook naar school mag. Dat is rustiger dan iedere dag het geblaf en gespring voor het raam. Tevreden ligt hij iedere dag onder ons bankje, een jaar lang. Na de vakantie moet ik naar de lagere school en mam maakt zich al ernstig zorgen hoe het straks moet als Henri ook naar de lagere school moet. Maar Sjors wordt ziek en op een morgen ligt hij dood in de keuken. Ons verdriet is groot als we hem plechtig begraven achter in de tuin. Ons lieve Sjorske gaat nooit meer mee naar school.

*lees ook beestenboel

‘Viskoningin’

maart20

Pap is een fervent visser. In het seizoen staat hij iedere morgen om 4 op om zijn hengel langs het kanaat uit te werpen. Slechte slaper als ik ben kom ik geregeld mijn bed uit en bedel ‘Pap, mag ik mee’. Dat mag niet, want ik moet naar school en moet dan uitgerust zijn. Ik vind het maar raar. Ik kan immers toch niet slapen.‘In de vakantie’ belooft hij. De vakantie breekt aan en voorzichtig kijkt hij om 4 uur of ik nog slaap. Nee hoor, natuurlijk ben ik wakker!! ‘Kom maar’ zegt hij zachtjes. Hij heeft er schijnbaar rekening mee gehouden want mijn boterhammetjes zijn al gesmeerd en een flesje melk heeft hij ook ingepakt. Ik zit op de stang van de fiets, de armen van pa beschermend om me heen. Een heel gedoe met hengels en schepnet maar mijn vader kan echt alles!! ‘Je moet wel stil zijn’ waarschuwt hij als we langs de kant van het kanaal zitten. Ja hoor, dat ben ik wel. Ik krijg mijn eigen hengel. Stilletjes genieten we van de opkomende zon. Het is de eerste keer dat ik dat zie, wat mooi!! Ik heb beet maar wat nu? ‘Pap, pap hèllup mich, hè trèktj dur mich in’ (pap, pap help me, hij trekt me erin). Met hulp van pap haal ik flinke ruts (voorn?) op. Pap glundert net zo hard als ik. Trots vertelt hij het hele gezin hoe goed ik vis. Vooral het, ‘Pap, pap hèllup mich, hè trèktj dur mich in’ moet ik zelfs nu na meer dan 40 jaar nog op familiefeestjes horen.

Pap en ik vissen iedere morgen vóór hij aan het werk moet. Overal vertelt hij hoe begaafd ik als visser ben. Aan het formaat van de vissen die ik vang komt ook wel enig visserslatijn te pas. Hij gloeit van trots als hij vertelt. Het einde van de vakantie breekt aan. Op de laatste zaterdag is er ‘koningsvissen’ en ik mag meedoen. Als we aankomen lacht het merendeel van de deelnemers uit. Één meisje en dan ook nog zo’n ukkie!! De wedstrijd begint. Zij aan zij zitten we met zijn allen langs het kanaal. Pap kijkt een beetje zorgelijk. Het is erg warm, normaal vissen we vroeg in de morgen. Zullen ze wel bijten? De jury is opvallend veel bij ons in de buurt. Ze letten op of ik het wel zelf doe, pap mag niet helpen. Al snel heb ik de eerste keer beet. De jury snelt toe om het visje te wegen. Onder de maat is het oordeel maar ik krijg wel 15 punten. Het visje wordt teruggegooid. De volgende vangsten zijn wat flinker. Je krijgt de punten aan de hand van het aantal grammen. Aan het einde van de wedstrijd volgt de uitslag in een café in de buurt van het kanaal. De spanning is te snijden als de voorzitter van de jury het woord neemt om de winnaar bekend te maken. Yeeeeeaaaaahhhh, ik heb gewonnen! Als een echte griet steek ik mijn tong uit naar de jongens. Lekker puh! Ik mag kiezen uit een hele berg jongensspeelgoed en neem een mooie leren voetbal.

Op maandag staat er na het ‘koningsvissen’ ook nog een berichtje in de krant; Kleine pittige 9 jarige enz. Het berichtje wordt thuis, bij familie en buren uitgeknipt. Ik mag het mee naar school nemen. Ik zit op een meisjes school. Veel meisjes weten het al en vormen bewonderend een kring. Als toppunt van de dag mag ik het ook nog voorlezen in de klas. Pap loopt naast zijn schoenen van trots. Over school wordt niet meer gesproken. Als ik wakker ben, mag ik mee gaan vissen. Slechte slaper als ik ben is dat bijna iedere morgen.

Ooorkonde 1967

Beestenboel

maart17

Een van mijn broers vindt op een dag een kauw die ligt te piepen langs de weg. Hij neemt hem mee naar huis. Pa zet hem in een doos met in doeken gewikkelde warme kruiken in de keuken want hij is nog bedenkelijk kaal. Al snel is hij gewend en spert zijn snavel wijd open om eten te krijgen. Gelukkig zijn we thuis met veel want het beestje heeft altijd honger. Iedereen die langs hem loopt heeft wel een lekker hapje voor hem, wormen, vliegen maar ook etensresten peuzelt hij lekker op en hij groeit voorspoedig. Ons bastaardhondje Sjors is na de eerste argwanende dagen dol op hem. De liefde blijkt wederzijds want als het kauwtje groot genoeg is om zelf uit de doos te komen wordt het een onafscheidelijk koppel. Het zijn intelligente vogels weet pa. Je kunt ze zelfs leren praten. Dat lijkt ons wel leuk maar ondanks onze verwoede pogingen lukt het niet. Sjors is blijkbaar een betere leermeester want het beestje leert, tot ieders groot vermaak, wel een soort van schor ‘blaffen’. De kauw wordt Jimmie genoemd.

Mijn broertje Henri en ik zijn nog te jong voor school en met zijn vieren trekken we hele dagen samen op. Hoogtepunt van de dag is altijd als de jongens van de landbouwschool langskomen. De school ligt aan het einde van onze straat en de weg langs ons huis is vrijwel de enige manier om er te komen. Een groepje jongens heeft de hatelijke gewoonte om Sjors te pesten. Sjors is dan ook doodsbenauwd voor ze is. Op een dag is het weer zo ver. Sjors wordt met stenen bekogeld en probeert met de staart tussen de benen te vluchten. Dan grijpt één van de jongens verbaasd naar zijn hoofd. Hij wordt aangevallen door Jimmie die schor ‘blaffend’ een duikvlucht uitvoert. De anderen kijken stomverbaasd toe en als Jimmie duikvluchten uit blijft voeren naar het hele stel hollen ze hard weg. Zo gaat het vier keer per dag. De pesters worden op hun weg van en naar school opgewacht door Sjors en Jimmie, de een duikvluchten uitvoerend, de ander, plotseling moedig geworden, hen achtervolgend om ze in de enkels te bijten. Dagelijks rennen ze langs ons huis de schooltassen beschermend boven hun hoofd, uitgelachen door hun schoolgenoten, Henri en mij.

‘Pas maar op jullie’ roepen ze dreigend naar ons van een afstand. Wij zijn echter niet onder de indruk. Op een dag is Jimmie zomaar verdwenen. We hebben hem nooit meer terug gezien. Hij heeft vast een vrouwtje gevonden en woont nu met haar in een mooi nest, proberen onze ouders ons te troosten. Één troost hebben we; Sjors wordt nooit meer gepest. Als de pesters langskomen en Sjors zien kijken ze nog steeds een beetje benauwd naar boven of er misschien toch een onverhoedse aanval uit de lucht komt.

sjors

Helaas geen foto van Sjimmie. Wel van Sjors. Links sta ik, mijn broertje Henri, zusje Margo en achter ons mijn broer Harrie.

Ben je een echte dierenvriend en overweeg je een ‘gratis kitten’ kijk dan eerst op www.stichtingkatimo.nl

Schaapjes

maart17

De schaapskudde is weer in ons deel van de stad. Dit jaar komen ze voor het eerst bij ons grazen. De kudde staat ineens naast mijn huis. Ik ga naar buiten om te kijken en maak een praatje met de herder. Hij kan niet binnenkomen dus drinken we samen buiten een kop koffie en vertelt hij trots alle weetjes over zijn kudde. Het plan is om de schapen dit stuk in het park en rond de vijver 4 maal per jaar te laten begrazen. Je krijgt dan een meer natuurlijke begroeiing en er komen allerlei kruiden en planten die er nu niet meer staan weer terug. Flinn, zijn bordercollie komt er ook bij. We zijn meteen vriendjes en hij vindt het heerlijk als ik hem aanhaal. Ondertussen houdt hij toch de schapen in de gaten en grijpt in als het nodig is. Hij komt daarna weer meteen terug en gaat dan dicht tegen me aan staan, zodat ik weer kan knuffelen.

Af en toe kijkt hij verlangend naar het fonteintje in de tuin. ‘Heeft hij dorst?’ vraag ik. ‘Waarschijnlijk wel’ zegt de herder. Ik wil binnen water wil halen maar hij vraagt of Flinn uit het fontein mag drinken. Natuurlijk mag dat altijd, ook als ik niet thuis ben is. De herder geeft Flinn een teken en gretig begint hij te drinken. Ondertussen houdt hij de zaak in de gaten en schapen die denken dat het in mijn tuin wel gezellig is, worden teruggestuurd. Het valt me op dat de herder Engels spreekt tegen Flinn. Ik vraag waarom en hij vertelt dat hij Flinn pas een paar weken heeft. Flinn komt uit Engeland waar hij een opleiding voor herdershond heeft gevolgd. Hij verstaat alleen Engels. ‘Praat maar dialect tegen hem, dan leert hij dat ook’ zegt de herder lachend. Dan moeten ze weer verder en Flinn kijkt af en toe nog eens verlangend om.

Een paar dagen later hebben Carel en ik een vrije dag en halen we de boodschappen voor het weekend. Morgen moet ik weer werken. Als we terugkomen zien we van veraf een vreemde auto voor ons huis staan en twee mannen in overall in onze tuin werken. ‘Zouden ze van de gemeente onze tuin bij gaan houden?’ vraag ik bevreemd aan mijn man. Het lijkt hem niet erg waarschijnlijk. Dichterbij gekomen zie ik dat één van hen de herder is. Ons voortuintje en de oprit zijn een ravage van schapendrollen en de schapen hebben de struiken gesnoeid. ‘Wat is er toch gebeurt?’vragen we. De herder was met de kudde aan de andere kant van de vijver en een stuk of 8 schapen hadden zich zelfstandig gemaakt. Ze waren om de vijver heen gelopen en vonden onze voortuin wel gezellig. Flinn, de bordercollie, had het ontdekt en had wanhopig geprobeerd om de schapen weer terug te drijven maar het was een koppig stel.

Een buurtbewoner heeft de herder gewaarschuwd. Nadat hij zijn schapen naar het weitje aan de overkant heeft gebracht begint de herder met de inmiddels gebelde hulp de ravage op te ruimen. Flinn is helemaal overstuur en ligt in de schaduw van de auto te hijgen. We vertellen hem hoe knap hij is dat hij helemaal alleen toch zijn werk verrichtte. Hij krijgt knuffels en mag voor deze ene keer een lekker plakje vlees. Nu kwispelt hij weer vrolijk met zijn staart. De mannen krijgen een kop koffie en wij krijgen een nummer dat we kunnen bellen als we onverwacht toch nog door de schapen aangerichte schade ontdekken. Ze maken zelfs de oprit nog met de hogedrukspuit schoon. Als ze vertrekken is alles veel schoner dan die morgen. De struiken hoeven we dit jaar niet zelf te snoeien.

Nawoord:
Helaas komt de schaapskudde niet meer. Ze zijn wegbezuinigd uit de stadswijken. Ik zie ze geregeld nog langs de Maas maar zonder hond en herder. Ze lopen in een afgezet deel. Jammer, het was ieder jaar weer een feest al zijn veel wijkbewoners dat niet met me eens. Er is nogal wat geklaagd over de schapendrollen.

100_1670

Na het voorval met onze tuin werd er steeds een verplaatsbaar hek geplaatst.

100_1669

Ik sta er zelf steeds van te kijken hoe mooi we wonen hier ‘Aan de Wassum’. Niet veel mensen hebben het geluk in een park te wonen.

Boterbabbelaars

maart16

Opa en oma wonen bij ons in (vaader en mooder noemen we ze, waarschijnlijk omdat mijn moeder ze zo noemt) Iedere avond voor wij naar bed gaan moeten wij, de drie jongste kinderen, opa en oma truste wensen en een kus geven. Ik ben dol op opa maar sta doodsangsten uit voor oma. Als we haar een kus hebben gegeven mogen we een boterbabbelaar pakken. Bij mijn broertje en zus gaat dat zonder problemen. Zodra ik aan de beurt ben voor de kus gaat het goed maar iedere dag zodra ik een boterbabbelaar uit het trommeltje neem begint ze te gillen: Cis, Cis det wecht hieet al weer unne riksdaelder gepaktj (Cis, Cis, dat kind heeft alweer een rijksdaalder gepakt). Zo gaat het dag in dag uit. Ik raak dan zo overstuur dat ik niet kan slapen. Hoe lief mam me ook knuffelt, ik ben ontroostbaar. Ik haal veel kattenkwaad uit maar ik steel niet. En hoe ik ook naar dat ene snoepje verlang, ik wil het niet meer.

Vreemd hoe herinneringen weer naar boven komen. Ik ben dit helemaal vergeten tot ik het verhaal ‘Vastentrommeltje’ lees van Anne Marie want mijn vastentrommeltje heb ik nog. Beschadigd en vergeeld en ik dacht dat ik er sleutels in bewaarde maar het zijn bonnen die je overal krijgt die ik erin bewaar. Het is het trommeltje van oma’s boterbabbelaars …..

IMG_0282

Grote school

maart15

Ik ben zes jaar en moet naar de ‘grote school’. Als echte katholieke Limbo is dat dus een katholieke meisjes school. Na twee dagen heb ik het daar wel gezien; ik besluit om weer terug te gaan naar de ‘bewaarschool’ (kleuterschool voor de niet Limburgers). ’s Morgens ga ik er gewoon heen maar tot mijn stomme verbazing ben ik niet welkom. Huilend ga ik weer naar huis waar mam me verbaasd vraagt wat er aan de hand is. ‘Ik heb de koorts’, snik ik. Dat is het ergste dat ik kan bedenken. Mam vermoedt al dat ik dat ik schoolziek ben en na een verwendagje, waarbij ik verbijsterend snel weer ben opgeknapt en weer mijn oude drukke zelf ben, wordt ik de volgende dag weer naar school gestuurd. Ik leg me maar me er maar bij neer.

Helaas ben ik zo’n kind dat altijd in de problemen raakt. Mam schrobt iedere morgen en middag mijn handen en toch presteer ik het om steeds weer met pikzwarte handen en rouwranden onder mijn nagels op school te verschijnen. Dat is een reden om in de hoek te staan. Met godsdienstles vertelt de juffrouw verhaaltjes die me hevig interesseren. Na afloop vertelt ze dat we nu nog te klein zijn maar het wel snappen als we groot zijn. Ik steek mijn vinger op en zeg dat ik het nu al snap. Als ik het uit wil leggen mag ik als beloning weer in de hoek staan. Met tekenles teken ik de mooiste sneeuwmannen in prachtige kleuren. Ik krijg dus een nul want sneeuwmannen zijn wit. Vanaf dat moment is het meteen afgelopen met mijn creativiteit. Op mijn verjaardag zie ik de directrice van de school op me afstevenen. Ik kijk waar ik me kan verstoppen want ben beducht voor haar preken over hel en verdoemenis iedere keer dat ik voor straf na moet blijven. Ik ben te laat, ze heeft me al gegrepen en geeft me een dikke klapzoen. Ik ben totaal verbijsterd en slaak een kreet van afschuw. Als ze wil dat ik haar op haar wang zoen deins ik terug. Dat waardeert ze niet en ze wordt boos maar ik krijg geen straf. Het toeval wil dat we op dezelfde dag jarig zijn en de 5 volgende jaren weet ik me te beheersen tijdens die klapzoen maar een kus terug heeft ze nooit gehad.

Dan breekt de voorbereiding voor de eerste heilige communie aan. Spannend! We mogen ’s morgens met de grote meisjes vóór school naar de kerk. Hoewel we niet nuchter hoeven te blijven mogen we daarna in de klas ontbijten, net als de grote meisjes. Ik stel er me heel wat van voor maar tijdens de mis verveel ik al me al snel. De grote meisjes mogen ter communie en wij moeten braaf in de eerste bank blijven zitten. Uit verveling tikken mijn vriendinnetje en ik iedereen die voor ons staat te wachten op de communie tegen de billen en als ze omkijken trekken we gekke bekken. Weer mag ik als aanstoker in de hoek staan, ditmaal in de kerk. Na schooltijd neemt de juffrouw mij apart. Ze legt uit dat je communie doen een serieuze zaak is. Ter afsluiting vertelt ze me dat ik lief moet zijn en niet meer zo stout. ‘Jezus komt in je hartje’, zegt ze blij. Ik neem het voor kennisgeving aan en ga weer onbekommerd naar huis.
’s Avonds in bed begin ik me toch zorgen te maken. Hoe komt hij in mijn hartje? Ik weet waar mijn hartje zit maar moet hij me dan opensnijden om erbij te komen? Ik slaap er slecht van en mijn grote broers en zussen liggen dubbel van de lach als ik het hen vraag. Dat merk je vanzelf wel zeggen ze. Op school durf ik het niet te vragen, bang voor nog meer straf. Ik laat het maar over me heen komen.

Straf krijg ik toch wel want ik doe altijd wel iets wat niet door de beugel kan. Ik kan me niet herinneren dat ik een dag niet in de hoek heb gestaan. De grote dag breekt aan. Opgetuigd mag ik mee naar de kerk in mijn mooie jurkje, een kransje in mijn gekrulde, normaal super steile, haar. Bevend ga ik naar de communiebank en steek met gesloten ogen mijn tong uit om de communie te ontvangen. Gespannen ga ik terug naar de kerkbank en wacht af wat er gaat gebeuren. Niets! Misschien komt het later nog. Onbezorgd speel ik met mijn vriendje Jan. We vreten weer van alles uit en als ik weer naar huis ga is mijn mooie jurk zwart en er zit een grote scheur in. Schijnbaar was hij niet bedoeld om er mee in bomen te klimmen. Voor straf moet ik vroeg naar bed terwijl al het bezoek er nog is. Opgelucht lig ik in bed. Dat gedoe over dat hartje heeft me toch behoorlijk dwars gezeten. Misschien is Jezus me wel vergeten, ik merk immers niets.

25-7-2009 16;05;00 - kopie (3)

Met Jan voor we gingen spelen.

commununieprentje

Mijn communieprentje

« Older Entries